Geschiedenis: Keulen tijdens de middeleeuwen

Net als in de Romeinse tijd, was Keulen tijdens de middeleeuwen een van de belangrijkste Europese steden ten noorden van de Alpen. In dit artikel vertel ik je er meer over: vanaf het moeilijke begin na de val van het Romeinse Rijk tot aan het einde van de 15e eeuw, toen Keulen een vrije rijksstad werd.

Keulen in de 15e eeuw, Schedelsche Weltchronik

Keulen aan het einde van de middeleeuwen in de Schedelsche Weltchronik

Milieusticker nodig?

Ga je met de auto naar Keulen? Denk er dan aan dat een milieusticker in Duitse steden verplicht is. Je kunt de sticker als je deze nog niet hebt via dit bestelformulier aanvragen en per post toegestuurd krijgen.

Keulen tijdens de vroege middeleeuwen

De vijfde eeuw was voor Keulen een overgangsperiode. Aan de ene kant was het nog altijd de hoofdstad van de Romeinse provincie Germania Secunda. Op straat werd Latijn gesproken en Keulen onderhield culturele en economische banden met andere Romeinse steden. Aan de andere kant mochten de Franken zich sinds een halve eeuw in de provincie vestigen. In ruil hiervoor moesten ze de grens van het Romeinse Rijk helpen verdedigen. Dit was sinds het begin van de jaartelling de rivier de Rijn.

Een belangrijk keerpunt was een veldslag in 451 met de Hunnen, een woest volk dat plunderend door Europa trok. Want hoewel de Romeinse bevelhebber Flavius Aëtius samen met de Franken de Hunnen wist te verslaan, moest het leger vervolgens naar Italië uitwijken om een nieuwe aanval af te slaan. Het mocht uiteindelijk niet baten. In 476 zetten de Hunnen de laatste Romeinse keizer af. Het Romeinse Rijk was ten einde en Keulen was niet langer een Romeinse stad.

Keulen als Frankische stad

Voor Keulen brak nu een moeilijke, vaak chaotische periode aan. De Franken namen weliswaar de bestuurlijke structuur van de Romeinen over, maar waren minder effectief in de uitvoering ervan. De meeste Franken waren dan ook eenvoudige boeren of krijgers zonder veel binding met stedelijke samenlevingen. De Romeinse stadsmuur en de brug over de Rijn bleven behouden, maar het inwoneraantal en de omvang van de handel kregen klappen te verduren.

De Franken vormden in het begin bovendien allesbehalve een georganiseerde staat. Zo woonden de meeste Franken in wat tegenwoordig het noorden van Frankrijk beslaat. Deze Franken waren de Salische Franken. De Franken in en rond Keulen werden Ripuarische Franken genoemd waarbij ripa Latijn is voer oever, om aan te duiden dat deze Franken graag langs de rivier woonden. Keulen was de hoofdstad van deze Ripuarische Franken.

Een houtsnijwerk van Clovis en Sigebert die de Allemannen in de pan hakken

Aan deze Frankische verdeling kwam een einde na een aanval van de Allemannen in 496, een andere Germaanse stam op oorlogspad. De Ripuarische koning Sigebert de Lamme riep de hulp in van de Salische koning Clovis I en samen versloegen ze de Allemannen. Clovis I werd vervolgens in 508 in de Sint-Gereonskerk van Keulen uitgeroepen tot koning van alle Franken. Hoewel de machtsbasis van de Franken zich daarna naar het huidige Frankrijk verplaatste, zou Keulen gedurende de volgende eeuwen een belangrijke Frankische stad blijven.

Opkomst van de bisschop als machthebber

Van grote betekenis voor Keulen was de bekering van Clovis I tot het katholicisme. Hierdoor kreeg de bisschop van Keulen langzaam maar zeker meer macht. Zo mocht bijvoorbeeld bisschop Kunibert aan het begin van de 7e eeuw in naam van de Frankische koning het dagelijkse bestuur van de stad op zich nemen. De beenderen van Kunibert worden nog altijd bewaard in de aan hem gewijde Sint-Kunibertkerk.

Kunibert wordt ingewijd als bisschop van Keulen

Kunibert wordt ingewijd als bisschop van Keulen, foto GFreihalter (CC BY-SA 3.0)

Tijdens een nieuwe dynastie van Frankische koningen, namelijk de Karolingische, was Keulen een uitgangspunt vanaf waar de naar het noorden wonende Saksen werden bekeerd. De Keulse bisschop Hildegar deed hier zelfs persoonlijk aan mee, hoewel weinig succesvol want hij moest zijn dapperheid met de dood bekopen. Bisschop Hildebold had meer geluk. Hij was de kanselier van de Frankische koning Karel de Grote en werd in 795 zelfs tot aartsbisschop verheven.

Ondanks dat de bisschop van Keulen persoonlijk meer macht kreeg, ging het minder goed met de stad. Zo lag het hof van Karel de Grote in Aken, wat ten koste van Keulen ging. Nadat het rijk van Karel de Grote in 843 onder zijn kleinzoons verdeeld werd, kwam Keulen bovendien toe aan het middelste deel dat vaak als Lotharingen wordt aangeduid. Dit was een zwakke staat, waardoor aan het einde van de 9e eeuw de Vikingen de Rijn op konden varen om Keulen te plunderen.

Keulen tijdens de hoge middeleeuwen

Aan deze slechte periode kwam echter weer een einde met Hendrik de Vogelaar. Als koning van het oostelijke deel van het Frankische Rijk, krijg hij in de 9e eeuw het zwakke Lotharingen in handen. Zijn zoon Otto I werd vervolgens in 962 gekroond als eerste keizer van het Heilige Roomse Rijk. Hoewel in die tijd gezien als de rechtmatige opvolger van het Romeinse Rijk, was het Heilige Roomse Rijk in feite vooral een Duits rijk. De keizers droegen tevens de titel van Duitse koning en het was in deze periode dat de Duitse identiteit voor het eerst vorm kreeg.

Ook een afbeelding van Bruno erbij

Ook een afbeelding van Bruno erbij, foto Horsch, Willy (CC BY 3.0)

Een tweede zoon van Hendrik de Vogelaar, Bruno de Grote, werd aangesteld tot aartsbisschop van Keulen. Als broer van de keizer wist hij dit ambt uit te bouwen tot een belangrijke positie binnen het Heilige Roomse Rijk. Hiermee brak voor Keulen een nieuwe bloeiende periode aan. Er was weer rust in het rijk en de handel nam toe. Keulen groeide weer uit tot een grote stad met meer dan 10.000 inwoners. Helaas kende deze snelle groei ook een keerzijde. De in de middeleeuwen gebruikelijke hongersnoden lieten Keulen niet ongemoeid.

Desondanks werd er in de 10 eeuw flink in Keulen gebouwd. Zo werd de nog uit de Romeinse tijd stad stammende stadsmuur uitgebreid tot aan de Rijn. Het gebied rond de huidige Alter Markt en Heumarkt kwam nu definitief bij Keulen. Tevens werd begonnen met de bouw van de nu beroemde 12 romaanse kerken van Keulen. In een van deze kerken, de Sint-Pantaleonkerk, is vandaag de dag het graf van de hierboven genoemde aartsbisschop Bruno de Grote te bekijken.

De Sint-Pantaleonkerk

De Sint-Pantaleonkerk lag destijds nog buiten de stad

In dezelfde kerk werd in het jaar 991 ook keizerin Theophanu bijgezet. Zij was de Byzantijnse vrouw van keizer Otto II en is bekend doordat ze vanuit Constantinopel de vork in West-Europa heeft geïntroduceerd. Na haar dood ontstond rond de kerk een Grieks sprekende nederzetting. Straatnamen zoals Kleine Griechenmarkt en Große Griechenmarkt herinneren hier nog altijd aan.

Strijd tussen stad en bisschop

Aan het begin van de 11e eeuw was de aartsbisschop van Keulen een van de machtigste personen van het Heilige Roomse Rijk. Niet alleen de stad Keulen, maar ook andere steden zoals Bonn en landerijen langs de Rijn behoorden aan hem toe. Verder was hij een van de keurvorsten die de Duitse keizer verkozen en was hij het persoonlijk die nieuwe keizers in Aken kroonde. In 1031 kreeg aartsbisschop Pilgrim er bovendien de titel van aartskanselier van Italië bij.

De rijkdom en macht van de aartsbisschop veroorzaakte wroeging bij de opkomende burgers van Keulen die veel belasting moesten betalen. Soms kwam hier een vreedzame oplossing uit voort. Zo mocht de stad vanaf 1039 haar eigen munten slaan. Soms ging het minder vreedzaam, zoals in 1074 toen bisschop Anno II bij een opstand de stad moest ontvluchten. Met zijn eigen leger wist hij de orde echter snel te herstellen. De leiders van de opstand liet hij de ogen uitsteken.

Bisschop Koenraad was zo'n kwaaie nog niet

Bisschop Koenraad was zo'n kwaaie nog niet, foto Oosjsieu (CC BY-SA 3.0)

In de eeuwen daarop zette deze strijd zich voort. Stap voor stap werden de burgers van Keulen rijker en kregen ze meer invloed. Dit leidde uiteindelijk in 1258 tot een overeenkomst met aartsbisschop Koenraad van Hochstaden. De stad kreeg toen zeggenschap over het muntrecht, het stapelrecht, de rechtspraak en de benoeming van belangrijke ambten. Wel bleef de aartsbisschop de hoogste gezagdrager. Belangrijk bij deze overeenkomst waren overigens de inspanningen van Albertus Magnus, een Keulse theoloog wiens graf nu in de Sint-Andreaskerk te bekijken is.

Groei van de stad

Gedurende deze eeuwenlange strijd tussen de aartsbisschop en de burgers, groeide Keulen als stad flink. Tussen 1106 en 1141 werden nieuwe verdedigingswerken aangelegd, want de oude stadsmuren voldeden niet meer. De meeste van de inmiddels voltooide 12 romaanse kerken kwamen nu binnen de stad te liggen. In 1135 werd ook het stadhuis van Keulen gebouwd, hoewel de toren die vandaag de dag veel bekijks trekt nog twee eeuwen op zich liet wachten.

Aan het einde van de 12e eeuw kende Keulen ruim 50.000 inwoners, wat het na Parijs de grootste stad ten noorden van de Alpen maakte. Om de inwoners te beschermen, begon men in 1180 met een nieuwe stadsmuur waardoor de oppervlakte van de stad verdubbelde. Ditmaal waren het echte stenen muren. Bij de voltooiing in 1259 was het met 52 grote torens en 12 toegangspoorten het grootste verdedigingswerk van Europa. Vier van deze poorten, de Eigelsteintorburg, de Hahnentorburg, de Severinstorburg en de Ulrepfore staan nog overeind.

De Eigelsteintorburg

De Eigelsteintorburg is een bewaard gebleven middeleeuwse stadspoort

Het was ook in de 13e eeuw dat begonnen werd met de bouw van de Dom van Keulen. De aartsbisschop had in 1164 de Relikwieën van de Drie Koningen naar Keulen gehaald. Deze golden als de belangrijkste relikwieën van het christendom, waardoor talloze pelgrims Keulen bezochten. Een toepasselijk onderkomen voor deze relikwieën kon niet uitblijven. In 1248 werd daarom begonnen met de bouw van een nieuwe kathedraal. Bij de voltooiing in 1880, dus meer dan zes eeuwen later, was het alsnog het hoogste gebouw ter wereld.

Keulen tijdens de late middeleeuwen

De late middeleeuwen, zoals historici de periode vanaf ongeveer 1250 tot het einde van de 15e eeuw noemen, begon voor Keulen rumoerig. Waar de burgers met aartsbisschop Koenraad van Hochstaden nog vreedzaam een verdrag hadden gesloten, was de verhouding met opvolger Engelbert II vanaf 1261 grimmiger.

Het ging om het betalen van de belasting. Engelbert II had geld nodig voor de bouw van de Dom en dit wilde hij halen bij de rijke kooplieden. Sinds de invoering van het stapelrecht in 1259, waarbij alle schepen op de Rijn hun goederen in Keulen voor de verkoop moesten aanbieden, ging het de burgerij uitstekend. Geld afstaan voor de Dom wilden ze alleen niet, wat resulteerde in een gewelddadige strijd. Engelbert II werd gevangen gezet in een kooi en in 1268 uit de stad verbannen.

Keulen als zelfstandige stad

Keulen kwam hierdoor voor het eerst sinds de Romeinse tijd zonder bisschop. Hoewel op papier de stad nog aan hem toebehoorde, was hij vanaf 1268 niet meer welkom. Dit werd nog eens bevestigd tijdens de Slag bij Woeringen in 1288, een veldslag tussen het graafschap Gelre en hertogdom Brabant. De stad Keulen met inmiddels een eigen leger koos de kant van het winnende Brabant, terwijl de aartsbisschop aan de verliezende kant vocht.

Slag bij Woeringen

Slag bij Woeringen, soldaten van de bisschop met het zwarte kruis

De aartsbisschop week daarna uit naar Bonn, dat de komende eeuwen gold als zijn verblijfsplaats. Dit is ook de reden waarom de later gebouwde paleizen van de aartsbisschop van Keulen niet in Keulen zelf maar in en rond Bonn staan. Denk dan aan het Kurfürstliches Schloss, het Poppelsdorfer Schloss en Augustusburg en Falkenlust. Het zou eeuwenlang duren dat de aartsbisschop van Keulen weer een voet in Keulen zette.

Met de aartsbisschop de stad uit, was Keulen echter niet van de problemen verlost. Hoewel er nu minder geld in de trage bouw van de Dom kon worden gestoken, lagen vervolgens de rijke kooplieden en de rest van de bevolking met elkaar overhoop. In 1371 was er bijvoorbeeld een opstand van de wevers die meer loon eisten. In 1396 leidden dit uiteindelijk tot de Verbundbrief die nu in het Kölnisches Stadtmuseum te zien is. Keulen werd vanaf dat jaar bestuurd door een raad van 49 waarin alle bevolkingsgroepen vertegenwoordig waren.

De Verbundbrief van 1396

De Verbundbrief van 1396, foto Horsch, Willy (CC BY 3.0)

De onvrede onder het arme deel van de bevolking moet ook tegen de achtergrond van de rampen van de 14e eeuw gezien worden. De meeste invloed had de pest, waarbij in 1349 duizenden doden vielen. Verder bracht de watersnoodramp van 1374 veel schade aan. Het water van de Rijn stond toen hoger dan de stadsmuur.

Toch was er ook genoeg goed nieuws voor Keulen. Ondanks de problemen was de welvaart flink gestegen in vergelijking met de voorgaande eeuwen. Hierdoor was het bijvoorbeeld mogelijk in 1388 de universiteit van Keulen te stichten, wat de vierde universiteit van het Heilige Roomse Rijk was. In deze tijd dook ook het carnaval van Keulen voor het eerst op in de geschriften. In 1414 werd eindelijk de toren van het stadhuis voltooid.

Keulen aan het einde van de middeleeuwen

Keulen aan het einde van de middeleeuwen met de Dom nog in aanbouw

Keulen aan het einde van de middeleeuwen met de Dom nog in aanbouw

Aan het einde van de middeleeuwen was Keulen dus een welvarende en vooral zelfstandige stad. Het voltooien van het stadhuis voor de burgers is hiervoor een passend symbool. De bouw van de geldverslindende Dom van de aartsbisschop kwam daarentegen juist stil te liggen. Verder was Keulen in de 15e eeuw de grootste stad van het Heilige Roomse Rijk. In 1475 kregen de inwoners hun zelfstandigheid bovendien op papier. Keulen werd toen namelijk door keizer Frederik III verheven tot een Vrije Rijksstad, wat het tot de Franse Tijd zou blijven.

Met de trein naar Keulen?

De Duitse hogesnelheidstrein ICE

De hogesnelheidstrein is een comfortabele en betaalbare manier Keulen te bereiken. Prijzen beginnen al vanaf €20 via NS International, waarbij je ook nog eens op ieder station in Nederland kunt opstappen!